#MeToo in de geneeskunde (13-02-2018)

“Rechters oordelen veel te mild als het gaat om seksuele intimidatie op het werk”, stond zaterdag boven een artikel in de Economie bijlage van de NRC. Het artikel vervolgt met een voorbeeld uit de praktijk:

“Het eerste signaal kwam niet van een collega, maar van een patiënt. Zijn gedrag ontstond geleidelijk aan, laat ze de zorginstelling weten. Haar vader is bij het gesprek aangeschoven, net als de leidinggevende van haar begeleider. Ze is lichamelijk gehandicapt en wordt begeleid in een Zeeuwse instelling. Over haar begeleider, dan 54 jaar oud en twaalf jaar in dienst, vertelt ze die dag dat hij haar al ruim een jaar betast. Hij knuffelde haar, raakte haar billen aan, merkte op dat ze een mooi kontje had in een nieuwe broek. Na een vakantie begroette hij haar met een zoen op de mond.”

Als er een jaar later nog twee meldingen binnenkomen van stagiaires, besluit de zorginstelling de man de laan uit te sturen. Dat een interne klachtencommissie de klachten van een van de stagiairs ongegrond verklaart doet er niet toe: de signalen spreken voor zich, redeneert de instelling. Onzin, betoogt de begeleider. Hij geeft zijn “joviale karakter” de schuld. De zaak komt voor de kantonrechter, die de man in het gelijk stelt. Zijn contract wordt niet beëindigd.

De zaak was al enigszins weggezakt in zijn geheugen, maar desgevraagd antwoordt de arbeidsrechtadvocaat die de zorginstelling destijds verdedigde, dat hij nog weet hoe onbegrijpelijk hij het vond dat de kantonrechter waarde hechtte aan het feit dat de vrouw geen aangifte had gedaan. “Alsof iets pas echt is wanneer er een aangifte ligt?”. Ook vraagt hij zich af of de uitspraak na de #MeToo – discussie nog hetzelfde was geweest. De maatschappelijke context telt tenslotte altijd mee.

Want ook de Geneeskunde ontsnapt niet aan de #MeToo discussie. In het Medisch Contact van twee weken geleden stond een artikel over de radiotherapeut-oncoloog en ethicus Reshma Jagsi, die hierover onlangs een editorial publiceerde in de New England Journal of Medicine. De bedoeling van het stuk is om het bestaan van seksueel wangedrag in de medische wereld te erkennen en te herkennen, want het idee dat het om een zeldzaam verschijnsel gaat, ontmoedigt vrouwen om zulk gedrag te melden, aldus Jagsi.

Twee jaar geleden publiceerde ze in JAMA onderzoek onder ruim duizend mannelijke en vrouwelijk arts-onderzoekers: 30 procent van de vrouwen rapporteerde slachtoffer te zijn geweest van seksuele intimidatie: onder mannen ging het om slechts 4 procent. Ter vergelijking: uit een onderzoek in 2013 van het KNMG Studentenplatform onder bijna 1400 coassistenten bleek dat ruim 18 procent van hen te maken had gehad met seksuele intimidatie; bijna allemaal vrouwen (94%). Jagsi’s JAMA artikel leverde haal talloze reacties op. Veel vrouwen vertelden haar over ongewenste aanrakingen van borsten en billen. Eén van hen meldde dat ze was verkracht door een van haar supervisoren, maar dat ze nimmer aangifte had gedaan. Dat laatste gold eigenlijk voor iedereen, constateerde Jagsi: “Nooit verteld, nooit gemeld”.

Jagsi bespeurt een gemeenschappelijke factor in alle verhalen: een institutionele machocultuur waarin mannen domineren – mannen die zich bovendien “locker-room conversation” permitteren, vrouwen buitensluiten en stilzwijgend aannemen dat toestemming voor seks een overschatte zaak is. Het inschakelen van personeelszaken na misdragingen is bovendien not done: het schaadt immers je loopbaan.

Nadrukkelijk wil Jagsi wijzen op “het ongeloof”: na publicatie van haar bevindingen in JAMA sprak haar afdelingshoofd zijn verbazing uit over de bevindingen. Was ze wel zeker van die getallen? Ja, ze is er zeker van. Haar indruk is dat het in ziekenhuizen en andere zorginstellingen niet anders is gesteld dan op andere werkplekken. Je zou, vermoedt ze, zelfs kunnen verwachten dat het er erger is, gegeven de lange geschiedenis van mannelijke dominantie en de hiërarchische machtsstructuren – factoren waarvan bekend is dat ze correleren met de incidentie van seksuele intimidatie.

Dat er desalniettemin maar mondjesmaat in de openbaarheid over wordt gesproken kan ze wel verklaren. De medische opleiding is hard en veeleisend; dokters zijn gewend om daar tal van opofferingen voor te doen. Ze zijn niet erg geneigd zich de rol van “slachtoffer” of “lastpost” aan te meten door aandacht te vragen voor seksuele intimidatie. En vrouwen die seksuele intimidatie wel rapporteren, krijgen te maken met marginalisatie, stigmatisering en wraak – ook nu nog, in tijden van #MeToo.

Intussen feminiseert de geneeskunde in rap tempo. Dat moet toch een positieve invloed hebben. Jagsi had inderdaad lang de naïeve gedachte dat die ontwikkeling seksuele intimidatie tot iets van het verleden zou maken. Helaas lieten de data het tegendeel zien. Toch gloort er wel hoop. Een jaar geleden, na de publicatie van haar onderzoek in JAMA, waren het nog vooral vrouwen die reageerden. Haar artikel in NEJM leverde een vracht aan ondersteunende mail op, waaronder veel berichten van mannen, vaak zelfs van leiders van instellingen.

En die hoop wordt gedeeld door de arbeidsrechtadvocaten. Zij constateren dat verreweg de meeste gevallen van seksuele intimidatie eindigt in een onderlinge schikking. Prettiger voor daders, en fijner voor werkgevers, die het “incident” in de doofpot kunnen stoppen. Maar zij vinden dit niet wenselijk. De kans op een cultuurverandering is immers klein wanneer iemand in stilte het pand verlaat. De advocaten zijn het erover eens dat beter beleid van werkgevers een hoop klachten kan voorkomen en rechters in staat stelt strenger te oordelen. Het is een stuk gemakkelijker oordelen als een onafhankelijke klachtencommissie vooraf klachten onderzoekt. Bijkomend voordeel is dat er een preventieve werking van uitgaat.  Als leidinggevenden vaker met elkaar in gesprek gaan over de heersende cultuur en wat normaal is binnen het bedrijf, voorkom je een hoop ellende.

Uit onderzoek van het ministerie van Sociale Zaken blijkt echter dat slechts 20 procent van de bedrijven met vijftig of meer werknemers een interne of externe klachtencommissie heeft. Het Radboudumc heeft deze gelukkig wel. In de eerste plaats zijn er gedragsregels, waarin staat dat je als medewerker wordt geacht iedereen op vriendelijke en correcte wijze te behandelen en rekening te houden met eventuele verschillen in normen en waarden. Dat je aanspreekbaar bent op je gedrag en als het nodig is ook anderen aanspreekt op hun gedrag.

Er is een vertrouwenspersoon “Ongewenste omgangsvormen”, waar je ongewenst gedrag zoals seksuele intimidatie kunt melden. Als je dit om wat voor reden dan ook niet bij je leidinggevende kunt melden, of als dit onvoldoende effect heeft. De vertrouwenspersoon denkt met je mee, adviseert over te nemen stappen en kan op verzoek een bemiddelaar inschakelen. De vertrouwenspersoon kan je ook informeren over en ondersteunen bij het indienen van een klacht.

Waarom aandacht voor zoiets als “MeToo” bij de uitreiking van jullie arts-examens?  Er zijn feestelijker onderwerpen te bedenken.  Maar het beroep van arts heeft nog steeds een hoge beroepsmoraal. Die natuurlijk verder gaat dan alleen het voorkomen van seksuele intimidatie. En jullie hebben net bij de Eed van Hippocrates beloofd de beroepsmoraal van arts in ere te houden. Door anderen met respect te behandelen, je patiënten, je collega’s en de co-assistenten die in de toekomst bij je stage komen lopen. En door elkaar aan te spreken op dit gedrag, met name als het te wensen over laat. Beiden geen gemakkelijke of vanzelfsprekende zaken.

Dus ik wens jullie toe dat jullie je als toekomstige dokters “onberispelijk” zullen gedragen en daarmee veel bevrediging, succes en geluk in je toekomstige loopbaan als arts zullen vinden.’ 

Anne Speckens
Artsexamen 13-02-2018

Bronnen:

 

Recent Posts