18. Kinderlijke verwondering

Voor mij lopen een vader en zoon hand in hand. Ik schat het kind twee; afkomstig van een tweede leg. Met zijn blauwe laarsjes loopt het jongetje onbewust door een waterplas. Dan draait hij zich met een ruk om, laat zijn vaders hand los, kijkt naar de plas en loopt er gefascineerd opnieuw doorheen; en nog vijf keer. Zijn vader en ik kijken met ontroerde gezichten naar het kind. Hoe lang zal het duren voordat hij afleert zich te verwonderen om een regenplas en in plaats daarvan hoogstens nog geïrriteerd opkijkt vanwege natte voeten?

Als kind was ik vrijwel altijd buiten, klom ik graag op daken, speelde ik drugskoeriertje met de buurjongens; een heel normaal kinderspel in Venlo overigens. Ik kan me de dag nog goed herinneren; de dag dat mijn vader tegen me zei: “Nu ben je te groot om buiten te spelen.” Een zwarte dag uit mijn leven.